
Thema 3:
Erfelijkheid en evolutie
Mijn nieuwste en beste tips, hulpmiddelen en artikelen.
Al dat moois op één plek!
Hier een samenvatting van het thema
Hier nog een downloadbare samenvatting
Hier kan jij een puzzeltje doen (lijkt het toch net of je aan het leren bent)
Hier algemene uitleg van het hoofdstuk
Chromosomen = Dragers van al erfelijke eigenschappen.
Genotype = Welke kenmerken er op je chromosomen (DNA) staan. Kun je zelf niet veranderen. (bijvoorbeeld oogkleur, lengte, wel of geen oorlel).
Fenotype = Wat je aan de buitenkant van iemand ziet. Kan wel veranderen bijvoorbeeld make-up, haar verven, tattoos.
- Soort: Organismen die samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. (de kinderen moeten dus ook kinderen kunnen krijgen.
- Ras: Een groep organismen binnen een soort die verschilt van de rest van de soort.
3.6
Evolutietheorie = een verklaring voor het ontstaan, veranderen en verdwijnen van leven.
Milieu = Alle omstandigheden die invloed kunnen hebben op een organisme. (ook wel leefomgeving met alles er op en er aan).
Natuurlijke selectie = organismen met een voordeel hebben meer kans om voort te planten.
3.7
Uit fossielen blijkt dat in de geschiedenis van de aarde soorten zijn ontstaan, zijn veranderd en/of weer zijn verdwenen. (dus evolutie)
Soorten met één gemeenschappelijke voorouder hebben verwantschap. (zelfde bouw, organen, cel opbouw)
Door al het DNA van organismen te vergelijken, kan een stamboom van de verwantschap worden opgesteld. Dat noem je een evolutionaire stamboom
3.8
Biotechnologie = Alle technieken waarbij organismen worden gebruikt om producten voor mensen te maken. (bacteriën die insuline maken door genetische modificatie)
Genetische modificatie = Erfelijke eigenschappen van organismen aanpassen.